Hieronder een uitgebreid artikel over het leefmilieu van zoetwater vissen en geeft een goed inzicht in de biologische aspecten. Deze informatie was eerst te lezen op de "oude" website van het OVB, maar i.v.m. reorganisatie van deze website is dit in een nieuw jasje gegoten en opgenomen in de nieuwe website: www.visenwater.nl. Dit is dan ook de reden dat wij de "klassieke uitvoering" op onze website hebben geplaatst en u dit niet willen onthouden.
Hoofdgroepen van de
vissoorten
Een veel gebruikte indelingsmethode groepeert de vissen naar hun voorkeur
voor stromend of niet-stromend water.
| Indeling van de Nederlandse zoetwatervissen (42 inheemse vissoorten en 3 ingeburgerde soorten) in hoofdgroepen | ||||
| Rheofiel A | Rheofiel B | Rheofiel C | Eurytoop | Limnofiel |
| Alle levensstadia gebonden aan hoofdstroom, inclusief oeverzone van stromend water | Sommige levensstadia gebonden aan zijwateren in permanent open verbinding met rivier/ beek | Sommige levensstadia gebonden aan langzaam stromend brak water, permanent open verbinding tussen estuarium en zee | Levensstadia zowel in stromend als stilstaand water. | Levensstadia in overwegend stilstaand water. |
| Rivierprik Zeeprik Beekprik Steur Elft Houting Zalm Zeeforel**) Beekforel**) Vlagzalm Sneep Kopvoorn Barbeel Serpeling Elrits Bermpje Rivierdonderpad*) |
Winde Kleine modderkruiper Riviergrondel Kwabaal |
Spiering
(anadrome vorm) Bot Harder Fint Driedoornige*) stekelbaars
|
Aal Snoek Blankvoorn Alver Kolblei Brasem Giebel Baars Snoekbaars Meerval Pos (Wilde)karper Spiering (binnenspiering) |
Vetje Ruisvoorn Bittervoorn Kroeskarper Zeelt Grote modderkruiper Tiendoornige stekelbaars |
| *)
In wateren met kunstmatige oevers (stenen) of substraat met stenen ook
eurytoop.
**) Beekforel en zeeforel worden gezien hun levenswijze in deze indeling als aparte soorten opgevoerd. Taxonomisch behoren deze forellen echter tot dezelfde soort Salmo trutta. |
||||
Visgemeenschappen
van het zoete stilstaande water
De watertypen zoals hier worden
besproken, zijn kenmerkend voor de verschillende fasen van het eutrofiëringproces
zoals dat in de Nederlandse zoete wateren voorkomt. Voor de ondiepe wateren
kunnen op grond van de mate van voorkomen van plantaardig plankton (en de
daarmee samenhangende zichtdiepte) en van hogere waterplanten 4
visgemeenschappen c.q. watertypen worden onderscheiden in de volgorde van
voedselarm naar voedselrijk.
| Voor de ondiepe wateren worden onderscheiden:
De visgemeenschappen in bovenstaande watertypen worden in sterke bepaald door de mate van voorkomen van hogere waterplanten. |
|
Door de toename van voedingsstoffen die in het traject van voedselarm (ruisvoorn-snoek visgemeenschap) naar voedselrijk (brasem-snoekbaars visgemeenschap) valt waar te nemen, verandert de samenstelling en de mate van voorkomen van het plantaardig plankton en verdwijnen op den duur de hogere waterplanten. Hierdoor verdwijnt eveneens het opgroeigebied van snoek - de belangrijkste roofvis -en de baars. Sterke afname van roofvisjaarklassen, sterke toename van de karperachtigen, en daardoor ook een sterke afname van het dierlijk(zoö)plankton hebben tot gevolg dat het plantaardig plankton in grote hoeveelheden tot ontplooiing kan komen en de zichtdiepte afneemt.
De biomassa (totale visstand uitgedrukt in kg/ha), groei en conditie die de kenmerkende vissoorten van genoemde visgemeenschappen bereiken, hangen af de beschikbare voedselbronnen. Voor de witvissen (cypriniden) binnen de onderscheiden visgemeenschappen zijn de belangrijkste voedselbronnen: bodemvoedsel (d.z. insectenlarven, wormachtigen, mosseltjes en slakjes; ook wel macrofauna genoemd), hogere waterplanten met aangroeisel van microscopisch kleine plantjes en diertjes, slakjes en mosseltjes tussen en op de waterplanten en dierlijk plankton. Ruimtelijk zijn deze voedselbronnen als volgt over het water verdeeld:
| vegetatiezone | waterplanten met slakjes e.d., macrofauna, dierlijk plankton |
| open-waterzone | macrofauna en plantaardig- en dierlijkplankton |
| bodemzone | macrofauna |
| De indeling in watertypen op grond van visgemeenschappen geldt voor de van nature relatief ondiepe Nederlandse zoete wateren. Voor diepe wateren (> 4-6 m) dient echter een andere indeling te worden gehanteerd. Hoewel als gevolg van eutrofiëring in grote lijnen dezelfde veranderingen in soortensamenstelling van snoek en baars naar snoekbaars, en van ruisvoorn en blankvoorn naar brasem plaatsvinden, zijn door de grotere ontwikkelingsmogelijkheden van het dierlijk plankton als gevolg van het grote watervolume en door de aanwezigheid van een spronglaag de soortensamenstelling en met name het dragend vermogen van het water(type) c.q. biomassa van de kenmerkende vissoorten anders. Door de verstrekkende gevolgen die de aanwezigheid van de zuurstofarme onderlaag in diepe wateren op de visgemeenschap kan hebben, worden voor het diepe water aparte watertypen c.q. visgemeenschappen onderscheiden. |
|
Onder diep water wordt dan verstaan water waarin als gevolg van temperatuurstratificatie een hypolimnion (onderlaag) kan ontstaan. Zoals bovenstaand reeds is aangegeven, zijn dit over het algemeen wateren met (1) een diepte groter dan 4 m bij een oppervlak tot 2 ha, (2) een diepte groter dan 6 m bij een oppervlak van 2-100 m, (3) en een diepte groter dan 8 m bij een oppervlak groter dan 100 ha.
| Op grond van de mate van voorkomen van plantaardig-plankton (en de daarmee samenhangende zichtdiepte), van hogere waterplanten, de mate van zuurstofloosheid van de onderlaag worden voor de diepe wateren met hypolimnion wederom 4 visgemeenschappen c.q. watertypen worden onderscheiden in de volgorde van voedselarm naar voedselrijk: |
|
Levensgemeenschappen
Omdat we de plant- en diersoorten in een
voedselweb van een viswater nooit helemaal kennen, kunnen we ook niet met
zekerheid zeggen wat er zal gebeuren als daarin iets verandert. Zo'n verandering
kan bijvoorbeeld zijn dat er andere soorten plantaardig plankton in een viswater
komen. Dergelijke veranderingen blijken vaak ingrijpende gevolgen te hebben voor de
visstand.
| De visstand in een water is dus blijkbaar niet een op zichzelf staande zaak, maar wordt op vele manieren beïnvloed door de soorten en aantallen van de planten en overige dieren in dat water. Zij hebben allemaal wat met elkaar te maken. Ze eten elkaar of ze betwisten elkaar een prooi, of soms ook een schuilplaats. Anderen hebben elkaar nodig voor bescherming, als aanhechtingsoppervlak, als transportmiddel en wat al niet mogelijk is. Het komt er op neer dat ze bij elkaar horen: Ze vormen een zogenaamde levensgemeenschap. Ook de vissen in een water maken deel uit van een dergelijke levensgemeenschap. |
|
De beheerder van een visstand heeft dus eigenlijk met veel meer te maken dan alleen het vissen. De kwaliteit van zijn visstand is sterk afhankelijk van de totale levensgemeenschap in zijn viswater en hij moet daar dan ook terdege rekening mee houden.
Plaatselijke
milieu omstandigheden
Uit onderzoek is gebleken dat de samenstelling
van een levensgemeenschap en het functioneren daarvan sterk afhankelijk is van
de plaatselijke milieuomstandigheden (abiotische factoren), zoals temperatuur,
stroomsnelheid, diepte, zichtdiepte en zuurstofgehalte.
Dit samenspel van een levensgemeenschap en de plaatselijke milieuomstandigheden speelt zich af in een ecosysteem. Een ecosysteem kan worden omschreven als een gedeelte van het aardoppervlak (dit kan land zijn maar ook water), waar de planten- en dierenwereld op een evenwichtige wijze zijn ingesteld op de plaatselijke milieuomstandigheden. Veel onderzoek is gericht op het voorkomen van soorten in relatie tot abiotische factoren in hun leefomgeving. Op een aantal relaties tussen levensgemeenschappen in een viswater en de plaatselijke milieuomstandigheden zullen we nader ingaan.
Zuurstofgehalte
Zuurstof is een "afvalproduct" dat
ontstaat wanneer (groene) planten, met behulp van zonlicht, eenvoudige chemische
stoffen omzetten in organisch materiaal (fotosynthese). Dit geldt zowel voor
land- als voor waterplanten. Zodoende wordt er aan het water zuurstof
toegevoegd, waarvan een gedeelte vervolgens weer door andere organismen wordt
verbruikt. Hoewel planten dus zuurstof kunnen produceren, hebben zij voor hun
functioneren ook zuurstof nodig. Naast de opname van zonlicht voorzien planten
evenals alle ander levende organismen ook in hun energiebehoefte door de
verbranding van organisch materiaal. Daarvoor is dan zuurstof nodig. Dit verbrandingsproces is niet afhankelijk
van de aanwezigheid van zonlicht en vindt dus 24 uur per dag plaats.

Terwijl de zuurstofproducties nachts wegvalt door het ontbreken van zonlicht, gaat de zuurstofconsumptie door waterplanten en andere organismen normaal door. Dit heeft tot gevolg dat het zuurstofgehalte in een water 's nachts lager wordt dan overdag. Vooral aan het einde van de nacht, dus tegen zonsopgang, kunnen daardoor zuurstofgehalten ontstaan die aanzienlijk lager zijn dan overdag. Dit verschijnsel treedt vooral op in algenrijke wateren. In dergelijke wateren is de bodem veelal bedekt met een dikke laag dood organisch materiaal (afgestorven algen). Dit is een omvangrijke voedselbron voor bacteriën en schimmels (afvalopruimers), die we er dan ook in grote aantallen kunnen aantreffen. Het afbraakproces dat hier op grote schaal plaatsvindt, vergt aanzienlijke hoeveelheden zuurstof. Dit levert overdag weinig problemen op, door de grote zuurstofproductie van de nog levende algen.
Door het wegvallen van de zuurstofproductie gedurende de nacht (geen zonlicht!) kan het zuurstofgehalte in algrijke wateren evenwel sterk dalen (soms zelfs tot nul), met onder meer als gevolg vissterfte. Dit verschijnsel doet zich vooral vaak voor tegen het einde van de zomer. Er kan dan nog veel alg aanwezig zijn (grote zuurstofconsumptie), terwijl er door het korten van de dagen minder zuurstof wordt geproduceerd (minder lang licht). Dergelijke vissterften worden daarom ook wel zomersterften genoemd.
Het zuurstofgehalte in een water is niet alleen afhankelijk van de zuurstofproductie en -consumptie door planten en dieren. Het is namelijk ook mogelijk dat er zuurstof in het water terecht komt vanuit de lucht boven het water. Dit proces is evenwel alleen van belang wanneer het wateroppervlak sterk in beweging is, bijv. door sterke stroming (bergbeken) of door windwerking (golven).
Een derde belangrijke factor met betrekking tot het zuurstofgehalte in een viswater is de hoeveelheid zuurstof die dat water kan bevatten. Zuurstof is niet onbeperkt in water oplosbaar. Daarvoor bestaat een maximum. De maximale hoeveelheid zuurstof die een water kan bevatten is onder meer afhankelijk van de watertemperatuur. Hoe hoger de watertemperatuur, hoe minder zuurstof dat water kan bevatten.
Bij hogere temperaturen is er dus relatief weinig zuurstof in het water aanwezig, terwijl we in de paragraaf over temperatuur zullen zien dat vissen bij hogere temperaturen juist meer zuurstof nodig hebben. Bij hogere temperaturen zijn viswateren met betrekking tot het zuurstofgehalte dus meer kwetsbaar dan bij lagere temperaturen. Het zuurstofgehalte van het water wordt uitgedrukt in milligrammen per liter (mg/l).
Het (absolute) zuurstofgehalte in milligrammen per liter is een goede maat om te kunnen vaststellen of vissen genoeg zuurstof ter beschikking hebben voor hun lichaamsprocessen. Het absolute zuurstofgehalte is echter minder geschikt om de zuurstofhuishouding van wateren bij verschillende watertemperaturen met elkaar te vergelijken. Elke andere watertemperatuur betekent immers ook een andere verzadigingswaarde (maximale hoeveelheid op te lossen zuurstof). Om wateren met verschillende temperaturen voor wat betreft het zuurstofgehalte toch met elkaar te kunnen vergelijken, wordt het zuurstofverzadigings percentage als éénheid gebruikt. Met deze eenheid geeft men het gemeten zuurstofgehalte aan in procenten van de verzadigingswaarde bij de betreffende watertemperatuur. Wanneer men bijvoorbeeld bij een temperatuur van 11° C een zuurstofgehalte van 5,5 mg/l meet, is dit precies de helft van wat het water maximaal aan zuurstof zou kunnen bevatten (zuurstofverzadiging bij 11° C is 11,0 mg/l). Het water is dan dus slechts voor 50% met zuurstof verzadigd.
|
Zo'n zuurstofverzadiging van 50% noemen we een onderverzadiging (beneden 100%). Het komt echter ook wel voor dat een oververzadiging (boven 100%) met zuurstof wordt gemeten. Er is dan meer zuurstof in het water opgelost dan theoretisch mogelijk is. Dit wordt meestal veroorzaakt door een zeer hoge zuurstofproductie van groene planten en algen. Er wordt zoveel zuurstof geproduceerd dat een gedeelte hiervan in de vorm van zuurstofbelletjes naar de lucht ontwijkt. Deze belletjes nemen echter ook andere opgeloste gassen (stikstof, koolzuurgas) uit het water mee. De extra ruimte die hierdoor in het water ontstaat, wordt door zuurstof ingenomen en zo ontstaat de oververzadiging. |
|
In water met een stabiele zuurstofhuishouding blijft het
zuurstofverzadigings percentage over het algemeen tussen 80 en 120.
Een zuurstofverzadiging ver beneden 80% kan wijzen op een sterke biologische
afbraak, boven 120% op een algenbloei.
Viswater
De visstand in een water is geen op
zichzelf staande zaak, maar maakt deel uit van een veel groter geheel van
allerlei planten en dieren. Een viswater, of het nu een polderwetering, een
zandzuiggat, of een beek is, herbergt behalve vissen ook vele vormen van ander
dierlijk en plantaardig leven.
De planten en dieren, die meestal in een viswater voorkomen, kunnen in de volgende groepen worden onderverdeeld.
| Een belangrijk onderdeel van het habitat (huis) van de vis vormen de waterplanten. Een bekend voorbeeld van de wijze, waarop vissen gebruik maken van waterplanten is het bouwen van een plantennestje door stekelbaarsjes.Er zijn maar weinig vissoorten, die zo'n speciaal nest bouwen. Dat betekent echter niet, dat waterplanten voor vissen die geen nest bouwen onbelangrijk zouden zijn. |
|
Enkele feiten:
| Al met al voor de
visstandbeheerders dus voldoende redenen om zuinig te zijn op de
waterplanten in zijn viswater. Het verdwijnen van waterplanten, vooral
in de oeverzone, zal veelal nadelige gevolgen hebben voor de visstand.
Waterplanten kunnen echter ook zo veelvuldig voorkomen dat van woekering kan
worden gesproken. De uitoefening van de visserij wordt daardoor sterk gehinderd
en soms zelfs onmogelijk.
Daar de visstandbeheerder niet (direct) mag ingrijpen in het beheer van de waterplanten, zal dit in overleg moeten gebeuren met de waterkwantiteitsbeheerder. |
![]() |
De visstandbeheerder streeft over het algemeen naar een waterplantenbeheer waarbij het nuttig effect voor de visstand zo groot mogelijk is en de hinder voor de visserij zo klein mogelijk.
Temperatuur
De temperatuur heeft een belangrijke
invloed op alle levensprocessen. Voor wat betreft de gevolgen van de temperatuur op de lichaamsprocessen en
het gedrag van dieren kunnen twee groepen dieren onderscheiden worden, namelijk
de warmbloedige en de koudbloedige dieren.
Het lichaam van een warmbloedig dier heeft een soort ingebouwde thermostaat. Als alles normaal verloopt is bij deze dieren de lichaamstemperatuur, onafhankelijk van de temperatuur van de omgeving, steeds dezelfde. Zo hebben zoogdieren een lichaamstemperatuur van ± 37° C en vogels van ± 40° C.
Koudbloedige dieren, zoals bijv. vissen, beschikken niet over zo'n ingebouwde thermostaat. Als de omgevingstemperatuur daalt, daalt dus ook de lichaamstemperatuur van een vis. Daardoor komen de lichaamsprocessen bij een lage omgevingstemperatuur op een laag pitje te staan. In koud water zijn vissen dan ook weinig actief: Ze gebruiken dan weinig energie en nemen weinig voedsel op. De groei van vissen staat gedurende de koude maanden ook stil (jaarringen in schubben!).
Een ander voorbeeld van de invloed van de temperatuur is het tijdstip waarop vissen tot paaien komen. Naarmate het voorjaar kouder is, zullen vissen op een later tijdstip in het jaar tot paaien komen.
De watertemperatuur beïnvloed echter niet alleen de snelheid van de levensprocessen. Ook de bestaansmogelijkheden van planten en dieren worden in belangrijke mate door de watertemperatuur bepaald.
Diepte
van het viswater
De diepte van natuurlijke wateren bedraagt
in ons land zelden meer dan 2 à 3 meter. Ook de in vroeger tijden door de mens
gecreëerde wateren, zoals plassen in veengebieden en sloten in polders, waren
zelden diep daar het werk met de hand werd uitgevoerd. Deze vrij geringe diepte
had tot gevolg dat in deze (toen nog heldere) wateren vrijwel overal
plantengroei mogelijk was, omdat het licht tot de bodem kon doordringen.
|
De sterke groei van planten had weer veenvorming tot gevolg. Geregeld "venen" was mogelijk, tevens bleven de wateren hierdoor op diepte. Door de grote behoefte aan zand voor stadsuitbreidingen en wegenbouw ontstonden en ontstaan nog geregeld diepe plassen. Ook worden bestaande plassen tot vaak zeer grote diepten (30 à 50 m) ontzand. Visserijkundig zijn ernstige bezwaren aan te voeren tegen deze grote diepten omdat:
|
|
Waarom bij grote diepten de hoeveelheid visvoedsel afneemt is niet eenvoudig te verklaren. In de praktijk blijken hiervoor verschillende oorzaken mogelijk. Naast zuurstofgebrek, waarop we hieronder ingaan, lijkt voor een verklaring ook de veel lagere watertemperatuur op grote diepten van belang omdat daardoor de snelheid waarmee levensprocessen verlopen wordt vertraagd. Mogelijk kunnen de hier levende visvoedsel organismen zich niet goed ontwikkelen bij deze lagere temperaturen.
Wat wordt nu verstaan onder temperatuur-stratificatie en waardoor wordt het veroorzaakt?
Door snelle opwarming van het water aan de oppervlakte in het voorjaar ontstaat in het water een warme bovenlaag die "drijft" op een koude onderlaag. (Koud water is zwaarder dan warm water). Tussen deze beide lagen vinden we de zogenaamde spronglaag. Een belangrijke eigenschap van de spronglaag is dat hierin de temperatuur relatief snel daalt.
Is de hier beschreven situatie van temperatuurstratificatie, die omdat zij voornamelijk in de zomer optreedt ook wel zomerstagnatie genoemd wordt, eenmaal ontstaan, dan is deze zeer stabiel. Ook harde wind is dan niet in staat de stratificatie te doorbreken. Temperatuur-stratificatie kan optreden in diep water. Maar wat is diep? In de praktijk is gebleken dat er ten aanzien van de diepte van een viswater een duidelijke relatie bestaat met de oppervlakte. Hoe kleiner het water, hoe ondieper het moet zijn om temperatuur-stratificatie tegen te gaan. (Wateren tot circa 2 hectare mogen daarom uit visserijkundig oogpunt niet dieper zijn dan 4 meter, tot 100 hectare niet dieper dan 6 meter en grotere wateren niet dieper dan 8 meter). In ondiep water zal een overdag optreden verschil in temperatuur gedurende de nacht door afkoeling en circulatie weer worden doorbroken.
Wat is nu het bezwaar van zo'n temperatuur-stratificatie? Het water in ons land is in de meeste gevallen eutroof*. Hierdoor leeft er veel plankton. Planktonorganismen hebben geen lang leven waardoor een constante "regen" van dood plankton vanuit de bovenste waterlaag naar de bodem zakt. Voor de afbraak van dood organisch materiaal door schimmels en bacteriën is zuurstof nodig, dat aan het water wordt onttrokken. Dit gebeurt ook in ondiep water en daar veroorzaakt het meestal geen problemen. Door circulatie wordt zuurstof naar de bodemlagen getransporteerd.
Hoe meer dode organische stof er aanwezig is, hoe groter het zuurstofverbruik en dus hoe sneller het zuurstofgehalte zal dalen. Dit lage zuurstofgehalte maakt de onderlaag ongeschikt voor vis en visvoedsel. Dit kan uiteraard gevolgen hebben voor de omvang en samenstelling van de aanwezige visstand.
Als in de onderlaag zuurstofgebrek of zelfs zuurstofloosheid optreedt, gaat de afbraak van organisch materiaal zonder zuurstof verder. Er komt dan een rottingsproces op gang waarbij o.a. zwavelwaterstof ontstaat (lucht van rotte eieren). Dit kan leiden tot vergiftiging van vissen en andere organismen.
In het najaar zal de temperatuur van de bovenlaag door afkoeling dalen tot een waarde die nagenoeg gelijk is aan de temperatuur van de onderlaag. Er zal dan ten gevolge van wind of spontaan, weer volledige menging plaatsvinden. Dit noemt men de najaarsomkering.
Als de onderlaag een laag zuurstofgehalte had en het volume ervan in verhouding tot de bovenlaag groot was, zal de najaarsomkering een plotselinge daling van het zuurstofgehalte in de bovenste waterlagen veroorzaken. Ook het gehalte aan zwavelwaterstof en eventueel ammoniak kan hierdoor stijgen. Ook is het niet uitgesloten dat de plotselinge daling van het zuurstofgehalte door de najaarsomkering voor sommige diersoorten met een grote zuurstofbehoefte (jonge snoekbaars en bepaalde insectenlarven) nadelig is.
Concluderend kan worden gezegd dat, los van problemen als golfslag en bevisbaarheid, waterdiepten groter dan 6 à 10 meter voor viswater weinig geschikt zijn.
We hebben gemeend wat dieper op het probleem van de "diepe putten" te moeten ingaan omdat ze steeds meer voorkomen en men vaak te lichtvaardig een "overblijfsel van zandwinning" de bestemming viswater toekent. Hierbij wordt dan voorbijgegaan aan de uiterst geringe ontwikkelingsmogelijkheden voor vis in dergelijke wateren en de enorme problemen die bij het beheer van een visstand in zo'n water optreden.
Zichtdiepte
De productie van organische stof en
zuurstof door planten vindt alleen plaats in de aanwezigheid van zonlicht. De
diepte waartoe het zonlicht in een water kan doordringen is dus van groot
belang.
De zichtdiepte is een maat voor de troebelheid van het water. Men bepaalt de zichtdiepte door een witte of zwart-witte schijf met een doorsnede van 10 tot 20 cm, de zgn. Secchischijf, in het water te laten zakken tot de diepte waarop deze schijf nog net zichtbaar is. Aan de hand van de zichtdiepte kan men ruwweg bepalen tot welke diepte het zonlicht in het water doordringt; ongeveer 2 x zo diep als de gemeten zichtdiepte. In water met een zichtdiepte van 40 cm kan het zonlicht dus tot ca. 80 cm diep door dringen.
Enkele factoren die bepalend zijn voor de zichtdiepte zijn o.a.
a. Hoeveelheid (dode) zwevende stoffen
Dit kunnen slibdeeltjes zijn, maar ook organisch materiaal. Naarmate er meer
zwevende stoffen in het water aanwezig zijn, zal het zonlicht door de
vertroebeling, hierin minder ver kunnen doordringen. De hoeveelheid zwevende
stoffen kan sterk variëren met de windsterkte.
b. IJs- en sneeuwbedekking
Een ijslaag aan het wateroppervlak kan leiden tot een verminderde instraling
van zonlicht. Dit is met name het geval wanneer het ijs is afgedekt door een
ondoorzichtige sneeuwlaag.
c. Troebeling door algen
In sommige wateren komt, vooral bij hoge zomertemperaturen, een massale bloei
van algen voor. Dit verschijnsel wordt ook wel waterbloei genoemd. Ten gevolge
van waterbloei wordt het water veelal sterk vertroebeld ("groene
soep"). Hierdoor kan het zonlicht slechts tot een geringe diepte instralen.
Als het zonlicht in een water gedurende lange tijd slechts tot geringe diepte kan doordringen heeft dit onder meer tot gevolg dat de zogenaamde ondergedoken waterplanten voortdurend te weinig licht ontvangen. Zij worden daardoor ernstig in hun groei geremd en zullen op den duur afsterven. Aangezien ook ondergedoken waterplanten zuurstof produceren, verminderd met het afsterven van deze planten de zuurstofproductie. En dat terwijl er door de afbraak van het afgestorven plantaardig materiaal juist meer zuurstof wordt verbruikt. Door een sterke daling van het zuurstofgehalte kunnen uiteindelijk giftige stoffen ontstaan. Maar ook al sterven de waterplanten niet af, dan nog zal de zuurstofproductie door een tekort aan zonlicht vrijwel tot nul kunnen teruglopen: Planten hebben nu eenmaal licht nodig om zuurstof te kunnen produceren. Ondanks een verminderde zuurstofproductie gaat het verbruik van zuurstof door vissen en andere waterbewoners en door de afbraak van organisch materiaal gewoon door. Zo ontstaat er zuurstofgebrek, waardoor aanzienlijke vissterfte kan optreden.
d.
De aanwezigheid van drijvende
waterplanten
|
Door deze beschaduwing van de waterkolom kunnen oeverplanten (riet), drijfbladplanten en drijvende planten de groei van ondergedoken planten beperken of zelfs volledig belemmeren. Deze beschaduwing van drijfbladplanten, heeft grote invloed op de fotosynthese van ondergedoken planten. Ook de in het water voorkomende algen kunnen door beschaduwing minder zuurstof produceren. |
![]() |
Voedselrelaties
in een viswater
Naarmate er meer bekend werd over de vele
planten en dieren, in en bij een water, groeide het inzicht dat er tussen al die
levensvormen vele onderlinge relaties bestaan.
Zo voedt dierlijk plankton zich veelal met de veel kleinere plantaardige plankton soorten. De grotere dierlijke planktonsoorten (groot betekent hier hooguit enkele millimeters) voeden zich echter ook met hun kleinere (dierlijke) soortgenoten en zelfs met vislarven van enkele dagen oud.De waterdieren die wat grootte betreft volgen op het plankton, zoals wormen, slakken, mosselen en insecten, worden ook wel aangeduid met de verzamelnaam macrofauna. Deze dieren voeden zich behalve met dierlijk plankton en andere diertjes vooral ook met allerlei afgestorven plantaardig en dierlijk materiaal. De larve van de libellen is zelfs in staat om kleine vissen te verschalken. Van karper is bekend dat deze zich o.a. voedt met muggenlarven en slakken. Jonge karper voedt zich daarentegen vooral met dierlijk plankton (o.a. watervlooien).
Snoek wordt gerekend tot de roofvissen, omdat hij vooral vis eet.
Welke vis is voor de snoek niet zo belangrijk: hij vreet wat hij te pakken kan krijgen, of dat nu witvis is, of andere roofvis, zoals jonge snoek. Jonge snoek van enkele dagen oud leeft daarentegen alleen van dierlijk plankton.
Zo zijn er nog talloze voorbeelden te noemen van de (voedsel)relaties die er bestaan tussen de organismen in een viswater.
a. Voedselketen
We kijken nog even naar de karper. De voedselrelatie van karper zou
bijvoorbeeld kunnen zijn als in de volgende voedselketen.
| algen --> |
daphnia(watervlo)--> |
larve van kokerjuffer--> |
Karper |
|
plantaardig plankton |
dierlijk plankton |
macrofauna |
De pijltjes laten zien waar de voedingsstoffen terecht komen. De karper eet de larve van de kokerjuffer; deze eet de daphnia; de daphnia leeft van algen.
Het probleem met dit schema is dat het de werkelijkheid te sterk vereenvoudigt. Het laat bijvoorbeeld niet zien dat de larve van de kokerjuffer ook door andere vissoorten of door (roof)kevers, waterspinnen en talloze andere ongewervelde dieren wordt belaagd.
Ook laat het schema niet zien dat karpers naast larven van de kokerjuffer ook nog vele andere soorten bodemdieren eten en dat ook die bodemdieren wellicht daphnia's eten.
Het schema geeft de werkelijke voedselrelaties in een viswater dus maar zeer ten dele weer.
b. Voedselkringloop
Hoe kunnen we dan wel weergeven hoe de voedselrelaties in een viswater zijn
gerangschikt?
We kunnen beginnen met een algemene indeling die voor elk viswater opgaat. Een voedselketen begint altijd met producenten van organisch materiaal. Dit zijn voornamelijk groene planten, omdat deze in staat zijn om water en koolzuurgas met behulp van zonlicht (energie) om te zetten in organisch materiaal. Daarbij wordt een gedeelte van de zonne-energie in dit materiaal opgeslagen. Dat geldt zowel voor hogere als voor lagere planten, zoals microscopisch kleine algen. Dit proces wordt fotosynthese genoemd (foto = licht en synthese = samenvoeging). Hierbij komt zuurstof vrij als waardevol "afvalproduct".
De producenten worden in een voedselketen gevolgd door de zogenaamde consumenten. Deze organismen kunnen planten (of plantaardig plankton) eten en worden dan herbivoren genoemd, zoals bijv. de daphnia.
Andere consumentenorganismen leven echter van dieren, zoals insectenlarven en kevers, en worden carnivoren genoemd.
De producenten en consumenten in een viswater hebben uiteraard geen onbeperkte levensduur. Ook voor die individuen, die niet door andere gegeten worden zal er dus een tijd van afsterven komen.
Daarmee ontstaat dan het voedsel voor de derde groep organismen in een viswater, de zogenaamde afvalopruimers of reducenten. Dit zijn veelal schimmels en bacteriën. Zij zetten het dode materiaal van planten en dieren om in eenvoudige chemische stoffen, zoals fosfaten en nitraten. Deze stoffen, ook wel mineralen genoemd, zijn weer nodig voor de groei van planten.
Op deze wijze is de voedselketen geworden tot een kringloop.
In de kringloop van een voedselketen is er dus sprake van een voortdurende doorstroming van materiaal. Kenmerkend voor een kringloopproces is dat er geen echt begin- en eindpunt is.
Uit het aanwezige materiaal worden achtereenvolgend steeds andere organismen opgebouwd, zonder dat daarvoor nieuwe bouwstoffen moeten worden aangevoerd.
Het enige dat steeds van buitenaf moeten worden toegevoerd om de kringloop draaiende te houden is zonlicht als energiebron.
In een kringloopproces is er dus sprake van hergebruik of recycling van materiaal. Het opnieuw gebruiken van afvalproducten, zoals men tegenwoordig in onze maatschappij tracht te realiseren, is in de natuur dus heel gewoon.
c. Voedselweb
We hebben de voedselkringloop hierboven vereenvoudigd tot één lijn.
| Als we zo'n kringloop gaan
invullen met concrete planten en dieren blijkt er evenwel nooit sprake
te zijn van één lijn. Een organisme eet altijd meer dan één bepaalde
plant- of diersoort en wordt zelf ook door meer dan één enkele
diersoort gegeten.Wanneer we het hele patroon van "eten" en
"gegeten worden" in kaart gaan brengen ontstaat daardoor een
ingewikkeld netwerk. Vandaar dat we niet van voedselkringloop maar van
voedselweb spreken.
De omzetting van eenvoudige chemische verbindingen in organisch materiaal geschiedt ook hier weer door waterplanten en plantaardig plankton. Het plantaardig plankton wordt weer gegeten door dierlijke planktonsoorten die op hun beurt weer gegeten worden door bijv. jonge vis of insectenlarven. Al deze kleine dieren worden gegeten door bijv. blankvoorns, waterkevers en kikkers, die op hun beurt weer het voedsel vormen voor roofvissen, zoals de baars. |
|
Tenslotte worden al deze dieren, dus ook de baars, gegeten door de (grote) snoek.
Het ging in het voorafgaande om een grote snoek. Voor een snoekje van enkele centimeters groot ontstaat er een totaal ander voedselweb.
De jonge snoek krijgt dan een plaats die enigszins te vergelijken is met de plaats van de waterkevers in het voedselweb van de grote snoek. Net als de waterkevers voedt de jonge snoek zich met insecten en dierlijk plankton en wordt zelf gegeten door bijv. baars, grote kevers en niet te vergeten door snoek.
De plaats van een vis in een voedselweb is dus van verschillende factoren afhankelijk. Belangrijk zijn daarbij o.a. leeftijd, grootte en uiteraard de aantallen die van de mogelijke prooiorganismen in het viswater voorkomen. In al deze factoren kan zoveel variatie optreden dat we nooit kunnen spreken van hét voedselweb van dé snoek, maar alleen van een mogelijk voedselweb van grote snoek in een bepaald water. Voor een dergelijk voedselweb kunnen dus ook andere mogelijkheden worden gegeven die in het algemeen allemaal zouden kunnen gelden. Welk voedselweb in een bepaald viswater de werkelijkheid het dichtst benadert is alleen na veel onderzoek te zeggen. Hiervoor wordt o.a. gebruik gemaakt van maaganalyses. Zodoende kan worden nagegaan wat een dier aan voedsel tot zich heeft genomen. Hiermee kunnen alleen betrouwbare gegevens worden verkregen, wanneer deze maaganalyses gedurende lange tijd achtereen worden uitgevoerd.